Header IVIO
Header IVIO diploma

Historie van het IVIO-Examenbureau

Voortgezet lager onderwijs (VGLO)
In de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw ontstond het voortgezet lager onderwijs (VGLO). Hoofden van lagere scholen constateerden dat zij voor hun leerlingen die niet naar de MULO of het middelbaar onderwijs konden gaan, slechts over twee alternatieven beschikten: de huishoudschool voor meisjes, de technische school voor jongens. Per sekse dus eigenlijk één alternatief. Zij besloten de leerlingen in het eigen gebouw of elders voortgezet lager onderwijs te bieden dat het 7e, 8e soms ook wel 9e en 10e leerjaar werd. Nu zouden we spreken over groep 9, 10, 11, 12! De toenmalige Lager Onderwijswet bood voor die leerjaren geen inhoudelijke aanwijzingen; er bestond simpelweg geen leerplan en er waren geen voorschriften. De meeste VGLO-scholen maakten daarom gretig gebruik van de materialen en examens van de Stichting IVIO. IVIO bood zowel examens als (taken)boeken waarmee leerlingen zich op die examens konden voorbereiden. In IVIO's gedachte, behoorde algemene vorming aan te sluiten bij ieders behoefte en belangstelling. Uit die gedachte is het unitstelsel geboren waarbij rekening is gehouden met theoretische en praktisch ingestelde cursisten. Tussen 1945-1960 zijn dan ook veel Aa- en Bb-units ontwikkeld. Aa-units kenden een sterk accent op handvaardigheid. Voorbeelden zijn: typevaardigheid, vaardigheid in de huishouding, verzorging van plant en dier, etalageschrift, lichamelijke vaardigheid. Bb-units hadden betrekking op de meer theoretische kant van de opleiding. Voorbeelden zijn: eenvoudig Engels, kantoorkennis, bedrijfsverkenning, natuur- en wiskunde. De VGLO's boden daarmee hun leerlingen een veelheid van vakken aan die elk een opklimmende moeilijkheidsgraad vertoonden. Daarbij konden de leerlingen per niveau en per vak meermalen per jaar examen doen. Eigenlijk liep het VGLO ver voor de Nederlandse onderwijsmuziek uit. Het zou nog zeker twintig jaar duren voordat in het 'gewone' onderwijs gewerkt werd met niveaus en deelcertificaten. Dit zgn. unitstelsel functioneerde uitstekend: het structureerde niet alleen het onderwijsleerproces, maar kwam tevens sterk tegemoet aan de individuele wensen en mogelijkheden van de leerlingen. Als eerste bewijs van algemene ontwikkeling verwierven ze het zogenaamde en nog steeds bestaande Sleuteldiploma. Daarna behaalden ze - afhankelijk van hun belangstelling - diploma's als Kantoorassistent, Winkelassistent, het Technisch Basisdiploma of Algemene Voortgezette Vorming. Gaandeweg werden deze diploma's bekender en deden ze ook buiten het VGLO dienst als toelatingsbewijs. Wie bijvoorbeeld catecheet wilde worden, maar over onvoldoende vooropleiding beschikte, kon door bepaalde units te behalen alsnog toelaatbaar worden tot de beroepsopleiding. Hetzelfde gold voor verpleegkundigen, onderofficieren, goud- en zilversmeden en metselaarspatroons, om een willekeurige greep te doen.
Frappant was dat er soms voor een heel andere leerstof-indeling dan in het 'gewone' onderwijs werd gekozen. Met andere benamingen en daarbij behorende inhouden. Voorbeelden zijn: maatschappelijke oriëntering, etalageschrift, verkoopkunde, kantoorkennis, boeken en rekenen, sociale verkenning, verzorging van plant en dier, noteren en rapporteren, e.a.
De regelgeving en wetgeving waaronder IVIO dit uitvoerde was de WEISO, de Wet op de Erkende Instellingen voor Schriftelijk Onderwijs. Niet dat deze activiteiten allemaal schriftelijk waren. Nee, maar het was de enige regelgeving die zich richtte op het niet van overheidswege bekostigde onderwijs. In eerste instantie had de WEISO betrekking op de grote bekende instellingen voor schriftelijk onderwijs, zoals de LOI en de PBNA. IVIO benutte de WEISO ook voor de eerder geschetste activiteiten. In 1987 werd de WEISO omgezet in WEO. De WEO richt zich ook op mondeling onderwijs en examenorganisaties en deed daarmee meer recht aan de breedte van IVIO's activiteiten.
Het VGLO kende in zijn bloei-jaren examenmomenten die uitmondden in honderdduizend IVIO-diploma's. Het VGLO werd dermate substantieel dat de overheid besloot het te incorporeren in de wet op het voortgezet onderwijs ('Mammoetwet',1968) als LAVO (lager algemeen voortgezet onderwijs) en LEAO (lager economisch en administratief onderwijs).
Voor IVIO was dat een ingrijpende ontwikkeling, maar het unitstelsel is blijven bestaan.

Vormingswerk en streekscholen
Het unitstelsel kreeg een nieuwe betekenis na de invoer van de Mammoetwet. Partieel leerplichtigen binnen het vormingswerk en streekscholen dienden zich aan evenals "nieuwe" doelgroepen: herintreders en -treedsters, allochtonen, in het kader van hoofdelijke versnelde scholing (Arbeidsvoorziening), deelnemers aan particulier onderwijs en het contractonderwijs.
Het vormingswerk voor jeugdigen was een onderwijssoort die enerzijds qua financiële middelen geweldig verwend werd en anderzijds elke kans op externe resultatenmeting door middel van examens werd onthouden. Deze onderwijssoort bestond al vele jaren ten behoeve van werkende jongeren in de vorm van de zogenaamde Levensscholen en Mater Amabilisscholen. Zij beoogden de persoonsvorming van de betrokken jongeren en kenden eigenlijk geen traditionele leerstof. Deze onderwijssoort werd aangewezen voor de opvang van partieel leerplichtige jongeren. De partiële leerplicht was ontstaan als overheidsreactie op de massale demonstratie die werkende jongeren op 1 november 1969 hielden. Aangespoord - sommigen zeiden opgejaagd - door de vakbeweging bepleitten deze jongeren toen hun leerrecht. De schoolverlaters zaten echter over het algemeen niet erg te wachten op dit vormingswerk. Ze waren het schoolgaan beu en wilden juist werken. Vormingsinstituten stonden voor de bijna onmogelijke opgave hen niettemin te motiveren en te vormen. Uiteraard kozen zij daarbij niet voor een schoolse aanpak. In het vormingswerk voor jeugdigen werden wonderen verricht. Het stond bloot aan kritiek van het 'gewone' onderwijsveld dat vormingswerk betitelde als 'kletsen, kleien en klieren'. Ouders begrepen het niet en jongeren 'zagen het niet zitten'. Toch slaagden de vormingsinstituten erin jongeren aan zich te binden en hun zicht te geven op hun mogelijkheden en beperkingen om die vervolgens in een persoonlijk ontwikkelingsplan gestalte en perspectief te geven. Daarbij moesten zij een appèl doen op de goed verborgen motivatie van de deelnemers, want de enige verplichting die zij volgens de wet feitelijk hadden, was ingeschreven te staan bij een vormingsinstituut: er was geen verschijningsplicht! Aanvankelijk kozen vormingsinstituten ervoor een politiserend programma in lijn met de 1 november-demonstratie te bieden. Maar na verloop van tijd en dankzij voortschrijdend inzicht wilden zij toch ook leerstof aanbieden en dat vereiste adequaat lesmateriaal en een examenmogelijkheid. En die was er voor het vormingswerk juist niet. Daarom deden zij een beroep op externe organisaties. De belangrijkste daarvoor was opnieuw het IVIO, dat zijn unitstelsel - zij het in afgeslankte vorm - in stand had gehouden. In vormingsinstituten werd voorts opgeleid voor diploma's als EHBO, steno, soms ook lassen en recreatie-sportleider. Het was de vormingsinstituten echter verboden zich als opleidingsinstituut te profileren. Daardoor werden ze min of meer tweetalig: in hun verantwoording aan de onderwijsinspectie spraken ze braaf in de verlangde terminologie over motiverende, algemeen oriënterende, beroepsoriënterende en keuzeprogramma's. In hun voorlichting en werving aan/van toekomstige leerlingen (in hun jargon: deelnemers, cursisten) gebruikten ze die termen uiteraard niet, maar meldden ze dat naast de algemeen vormende programma's maatschappelijk relevante cursussen met bijbehorende diploma's werden geboden.

Naast het vormingswerk haddenook de streekscholen, herintreders en het particulier en contract  onderwijs behoefte aan korte opleidingstrajecten die afgesloten konden worden met erkende examens en met duidelijk omschreven kwalificaties. Een erkenning die niet alleen tot uiting kwam door mede-ondertekening van de gecommitteerde namens de Minister, maar zeker ook examens die betrouwbaar en valide zijn - en dit laatste wordt maar al te vaak als vanzelfsprekend aangenomen- relevante en actuele zaken toetsen alsmede door het bedrijfsleven worden gewaardeerd. Juist de begeerde kwalificaties is voor leerlingen een (toekomstig) werkgever van belang.

In 1992 reikte de toenmalige staatssecretaris van onderwijs het 1.000.000e IVIO-diploma uit.
'Vroeger kon je er met een diploma zeker van zijn je eigen kost te kunnen verdienen. De arbeidsmarkt is ingewikkelder geworden. Daarom is het van groot belang dat iedereen blijft bijleren. Ik heb de grootste bewondering voor mensen die zelf aan de slag gaan.
Het is opmerkelijk dat op een door het rijk gesubsidieerde school een diploma van een particuliere onderwijsinstelling wordt uitgereikt. Een goed voorbeeld van de toenemende samenwerking tussen rijksgesubsidieerde en niet gesubsidieerd onderwijs.
Deze samenwerking is belangrijk. Instellingen kunnen gebruik maken van elkaars specifieke ervaring en know-how vooral waar het gaat om het ontwikkelen en up to date houden van het onderwijs in nauwe relatie met het bedrijfsleven. De samenwerking tussen Arbeidsvoorziening, IVIO, het bedrijfsleven en onderwijsinstellingen wordt geconcretiseerd in arbeidsmarktgericht aanbod en het organiseren van examens in goed overleg tussen IVIO en de onderwijsinstelling.'

Drs. J. Wallage, staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, 30 september 1992

Vervanging Unitstelsel
De klanten bevinden zich voortaan in de Voortgezet Speciaal Onderwijs scholen, de justitiële inrichtingen en bij ROC's daarom heeft het IVIO-Examenbureau het oude unitstelsel op 1 januari 2002 vervangen door de nieuwe Kwalificatie Structuur Educatie examenstructuur. Hiermee kon er een betere doorstroom ontwikkeld worden met de ROC's en kon het IVIO-Examenbureau aansluiten bij een landelijke structuur. Het examenpakket bestond toentertijd uit:
- Nederlandse taal KSE-niveaus1, 2 en 3
- NT2 (Nederlands als Tweede taal)
- Engels KSE-niveaus 1, 2 en 3
- Rekenen en Wiskunde KSE-niveaus 1, 2 en 3
- Exact onder Windows
- Digitale vaardigheden:
- Computertypen
- Basiskennis informatica
- Word
- Excel
- Access

In 2005 is het IVIO-Examenbureau weer begonnen met beroepsgerichte examens die aansluiten bij de Kwalificatie Structuur beroepsonderwijs (KSB). In het verleden werden er veelvuldig beroepsgerichte examens afgenomen en het IVIO-Examenbureau wil zich daar weer oprichten . Het is nu dus weer mogelijk om een verzameldiploma assistent secretariaat en assistent telefoniste/receptioniste te halen net als vele jaren geleden!

Externe legitimering
Teneinde de kwaliteit van de examens te objectiveren is in de WEB vastgelegd aan welke eisen moet worden voldaan bij het diplomeren van deelnemers in het beroepsonderwijs. De onderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor de examinering. De ROC´s bepalen zelf, binnen de kaders van de WEB, welke invulling zij geven aan de examinering. Wel moeten zij tenminste 51% van de deelkwalificaties extern laten legitimeren door een exameninstelling. Externe legitimering houdt in: voorzieningen die waarborgen dat de inhoud en het niveau van de examens ten minste zijn afgestemd op de eindtermen (WEB, 7.4.4.). Het IVIO-Examenbureau heeft in 2003 en 2004 verschillende instellingen waaronder de LOI en de NTI gelegitimeerd. Vanaf 1 augustus 2004 is het Kenniscentrum Examinering (KCE) aangewezen om de externe borg op de kwaliteit van het examen van het middelbaar beroepsonderwijs uit te voeren. Deze uitvoering vindt plaats aan de hand van door de minister van Onderwijs vastgestelde standaarden en leidt tot een onafhankelijke verklaring omtrent de kwaliteit van het examen. De verplichting tot externe legitemering is inmiddels ten einde gekomen. Tevens is IVIO-Examenbureau aangesloten bij het NRTO.

Advisering Examen en Toetskwaliteit
IVIO-Examenbureau werkt nauw samen met een gerenomeerde opleider aan de voortdurende kwaliteit en verbetering van de examens en examenprocedure van deze opleider. IVIO-Examenbureau garandeert hiermee als onafhankelijke expert de kwaliteit van de toetsing en advisering van opleiders.